Een trekking naar La Montaña de Siete Colores. Zonder ons al te veel te verdiepen in wat ons mogelijk te wachten staat – behalve een gekleurde berg dan – beginnen we aan een nieuw avontuur. En man man man, dat hebben we geweten. We zijn alle drie tot het uiterste op de proef gesteld: zowel mentaal als fysiek.

Dat begint al bij het opstaan. De wekker gaat namelijk om half 3 (!!!!). Om 3:20 worden we volgens het programma opgehaald voor een 3 uur durende rit naar het begin van de bergpas. Daar wacht ons een trektocht van 8km. Tijdens deze klim stijgen we van 4000 naar 5200 meter hoogte, met als beloning: uitzicht op de zeven kleuren berg. Stipt om 3:20 staan we dik ingepakt klaar op de stoep van het hotel. De chauffeur komt meteen aanrijden, maar niet veel later zet hij de auto stil langs de kant van de weg om andere passagiers op te pikken. Die laten echter anderhalf uur op zich wachten. Je begrijpt: uren wachten terwijl je nog lekker in je warme bed had kunnen liggen is op dit moment niet bepaald onze lievelingsactiviteit. Vooral gezien het feit dat we er de nacht ervoor ook om 3 uur uit moesten en Lex en ik de nacht dààrvoor helemaal niet geslapen hebben.

Het grootste deel van de rit is over een onverharde weg, maar ik slaap vrijwel onafgebroken. Dat zegt wel wat over hoe moe ik ben. Hoe verder we rijden, hoe meer vrouwtjes in traditionele kleding aan de wandel en hoe meer lama’s op de weg. Eenmaal op de plek van bestemming is er gelegenheid om nog wat laatste flesjes water, koekjes en warme sokken en handschoenen aan te schaffen. Daar maken we dankbaar gebruik van. Voor een paar sol trek ik lekkere dikke handschoenen en beenwarmers met lama’s erop aan. We worden welkom geheten in een heus basecamp, wat een stuk serieuzer en meer hardcore oogt dan we verwachten. De toespraak van onze gids liegt er niet om: “Het wordt heel zwaar en na 20 minuten stoppen we om te kijken wie het redt en wie er te paard verder gaat.” Drie uur op, 2,5 uur af. Sommige reizigers kijken vastberaden, anderen ronduit geschokt en angstig. De naam van onze groep: CHAMPIONS. Met wandelstokken in de aanslag beginnen we aan onze trektocht. De omgeving is waan-zin-nig. Stel je een pas voor gelegen tussen, tegen en over de hoogste bergen. Soms slingerend, soms steil omhoog. Lama’s die hoog in de bergen grazen, gekke behaarde cactussen, kabbelende beekjes. Sprookjesachtig, rechtstreeks uit een boek.

De vorige bergtocht in de Filipijnen liep ik op teenslippers, deze op Nike Air Max, maar de volgende keer ga ik definitief voor de bijl en schaf ik een paar stevige bergstappers aan. Lex loopt ook op Nikes en de enige op fatsoenlijk uitziend schoeisel is papa, ware het niet dat de schoenmaker de zolen van zijn bergschoenen pasgeleden vervangen heeft voor een compleet gladde zool. Waarom? Ja, dat vragen wij ons tijdens het glibberen en glijden ook meermaals af.

De eerste 20 minuten zijn meteen een stevige beproeving en een indicatie van de rest van de tocht. We besluiten het op eigen krachten te doen en dat kan ik lezers die deze tocht ook overwegen ook zeker aanraden. Naast dat het natuurlijk veel meer voldoening geeft, zie je dat de paarden het er enorm zwaar mee hebben en dat ze zichtbaar leiden. Niet doen dus, alsjeblieft. Naast de gladde zolen loopt papa tegen nog een paar hindernissen aan. Papa’s techniek van het eten van cocablaadjes is spartaans (of gewoon lomp) te noemen: hij propt een handvol blaadjes in zijn mond en kauwt erop. Dat gaat echter meer dan eens mis en stikt hij er bijna in. Piepend en naar adem happend weet hij nog net: “Mel, water, nu!” uit te brengen. Ook de hoogte speelt ons parten. De lucht heeft op grote hoogte minder zuurstof. “VAMOS CHAMPIONS VAMOS VAMOS!”, wordt ons bemoedigend toegeroepen.

De natuur is overweldigend mooi. Hoe zwaar het ook wordt, we blijven ons verwonderen over onze omgeving. We zijn gefascineerd door de bewoners van deze totaal onbewoonbaar lijkende plek. De kindjes hebben donkerrode gezichten van de zon. Professionele uitrusting is er ook voor hen niet bij, op teenslippers trotseren ze het wispelturige weer en de grote hoogtes van hun thuis. De mensen hier spreken Qechua, de oorspronkelijke taal van de Peruanen. Deze taal heeft niets met Spaans te maken en lijkt er in de verste verte niet op. Onze gids heeft ons een paar woordjes geleerd en wanneer we locals voorbij lopen probeer ik ze in mijn beste Qechua gedag te zeggen: “Ajinjachu!”

Het einde is in zicht: in de verte zien we een grote groep wandelaars aan de top. Lex loopt een eind voor ons uit, ik blijf bij papa om hem zo nu en dan wat water, snacks en mentale ondersteuning te bieden. Lex loopt terug om te kijken of het allemaal goed gaat met ons gaat en brengt interessant nieuws mee: de zogenaamde top is dus geen top. Sterker nog, we zijn er nog lang niet en er staat ons nog een steile klim van 500 meter te wachten. Zacht uitgedrukt valt het niet mee, vooral papa heeft het zwaar. Maar: hij zet door en we bereiken na veel puffen en steunen de 5200 meter! ZO TROTS! Hart- en astmapatiënt en dat flikt hij toch maar weer. Letterlijk door weer en wind, want onderweg krijgen we te maken met hagel, regen, stevige wind en felle zon.

Volgens papa en Lex is de terugweg een eitje, maar dat valt vooral voor mij nogal tegen. Op de heenweg is mijn mindset: ja het wordt zwaar, maar je moet en zal de top bereiken. En niet: ja, het wordt zwaar, maar je moet en zal uiteindelijk het basecamp bereiken. De terugweg is stijl, glad en helemaal modderig door de regen en doordat de paarden op hetzelfde pad lopen als de mensen. Met als gevolg dat je hele schoen wegzinkt in de modder. Een extra moeilijkheidsgraad kondigt zich met een klap aan: KLABAM! Een lichtflits: een paar honderd meter recht vooruit slaat de bliksem in. Het begint stevig te onweren. Geruststellende woorden van Lex: “Maak je geen zorgen, de bliksem slaat altijd in op het hoogste punt.” Maar we wandelen hier op 4000+ meter! De pas versnellen is er niet bij, daar is het veel te glad en steil voor. Papa gaat een paar keer onderuit, maar krabbelt iedere keer weer op.

We lopen een groot deel van de tocht met de Mexicaan Pedro, die achter elkaar uitglijdt. Op de terugweg, het basecamp in zicht, komen we hem weer tegen. Met nog maar een paar meter te gaat hij nog een laatste keer languit in de modder. “PUTA!” schreeuwt hij, alsof het uit zijn tenen komt. Alle samengebalde frustratie van een hele dag ploeteren vat hij pakkend samen.

We komen terug met een paar goede en onweerlegbare bewijsstukken van onze strijd: vogelkak op onze kleding, overal modder, verbrande neuzen en vermoeide gezichten. In het basecamp vallen we bijna met ons gezicht in de soep: zo moe en uitgeput zijn we. Maar wat een avontuur, het was het zo zo zo zo zo waard.

 

/

1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30

Leave A

Comment

Mama
januari 23, 2018
Wat een prachtig avontuur! <3
Beantwoorden
    Geert
    januari 23, 2018
    Prachtige reportage Michèle, boeiend maar toch zien jullie er niet echt uitgeput uit op de foto. Formidabele ervaring. Doe zo voort, go go...
    Beantwoorden
      januari 23, 2018
      Dank je Geert, zal ik doen! Ha, dan heb je de laatste paar foto's zeker gemist!
      Beantwoorden
    januari 23, 2018
    Dat was het zeker!
    Beantwoorden
januari 23, 2018
Het is weer mooi geschreven ! wat een avontuur !!!!!!
Beantwoorden
Han Giebing
januari 23, 2018
Zo mooi ik ben er stil van.
Beantwoorden